Select your language

[gtranslate]

DS-Rituelen

DS-Rituelen zijn licht prikkelende beschouwingen over dagelijkse observaties binnen de wereld van Franse klassiekers, de Citroën ID en DS in het bijzonder. Geschreven uit liefde automobiele cultuur. Reageren kan naar de online redactie: webredactie@citroeniddsclub.nl

Hij of zij?

De Citroën DS is niet zomaar een object, maar een metgezel. Waar de grammatica voorschrijft dat de auto met hij wordt aangeduid, kiezen DS-liefhebbers opvallend vaak voor ze of zij. Dat is geen vergissing, maar een keuze die de afstand tussen mens en machine verkleint. Ze loopt mooi, ze start altijd, ze komt snel omhoog. Het zijn formuleringen die verraden dat hier niet alleen over techniek wordt gesproken, maar over een relatie.

Opmerkelijk genoeg geldt dit taalgebruik vrijwel uitsluitend voor de Citroën DS. Niemand prijst een CX, XM, BX of ZX aan met de woorden: ze rijdt fantastisch. Blijkbaar houdt de vrouwelijke persoonsvorm gelijke tred met de mate waarin een auto tot cultusobject is verheven.

Ik zie het geregeld terug in de ingezonden annonces. Met zichtbaar enthousiasme wordt een ID of DS aangeprezen als een zij. Ze rijdt heerlijk. Ze is roestvrij. Ze wacht op een nieuwe liefhebber. Alsof de advertentie niet over een auto gaat, maar over een dame op leeftijd die verrassend mooi en vitaal is. Maar toch wil de mannelijke eigenaar van haar scheiden.

Dat de DS door velen als een godin wordt beschouwd, valt nog wel te begrijpen. Citroën heeft die associatie met de naam zelf uitgelokt. Maar een Franse bijnaam als Déèsse of godin verandert de Nederlandse grammatica niet. De DS is in het Nederlands nog altijd een hij. Al zullen weinig liefhebbers zich daardoor laten overtuigen. Tegen de liefde valt nu eenmaal slecht op te spellen. Misschien is dat wel het mooiste bewijs dat de DS meer is dan een auto. Hij krijgt niet alleen een ziel toegedicht, maar zelfs een grammatica van haar eigen. Maar die bestaat alleen binnen de muren van de DS-gemeenschap.

Sigmund Freud (1856 – 1939) als grondlegger van de psychoanalyse zou er vermoedelijk zijn wenkbrauwen bij opgetrokken hebben. Hij was geen taalkundige en heeft natuurlijk nooit over de Citroën DS geschreven. Zodra een machine een persoonlijk voornaamwoord krijgt, is er kennelijk meer aan de hand dan een verzameling staal, banden en hydrauliek. Waar de grammatica spreekt van een of de auto, ziet de liefhebber een persoonlijkheid. En persoonlijkheden krijgen nu eenmaal geen nummer, maar een naam, een karakter en zo blijkt ook een vrouwelijk voornaamwoord. Maar taalkundig blijft het pertinent onjuist. Kennelijk volgt de DS-taal niet alleen de wetten van de hydraulica, maar ook een grammatica die buigt en schuift; zich net genoeg onttrekt aan de regels in een poging om toch geloofwaardig te klinken.

Misschien stoort het mij wel omdat het zo vanzelfsprekend wordt gebracht. Alsof de Nederlandse grammatica alleen voor de DS een uitzondering heeft gemaakt. Dat heeft zij niet. De uitzondering zit uitsluitend tussen de oren van de liefhebber.

Het vrouwelijke voornaamwoord blijft zelden beperkt tot de grammatica. Vrijwel direct volgen de clichés. Ze heeft haar nukken. Ze moet met gevoel worden behandeld. Ze laat zich niet dwingen. Opmerkelijk genoeg zijn het eigenschappen die generaties lang óók aan vrouwen werden toegeschreven. Misschien zegt dat uiteindelijk meer over de bestuurder dan over de DS. Het is de male gaze of mannelijke blik.

Dat roept de vraag op of hier niet meer meespeelt dan alleen liefhebberstaal. De DS wordt meestal door mannen gekoesterd, onderhouden, gepoetst en bereden. Niet zelden met een bijna rituele toewijding. In die verhouding ontstaat iets dat zich moeilijk laat reduceren tot techniek of bezit. Het is geen toeval dat juist in die context het woord zij zo gemakkelijk valt. Niet omdat de auto vrouw is, maar omdat het object van zorg en bewondering zich leent voor een taal van affectie.

Daarbij komt een bredere culturele laag. In de westerse verbeelding zijn machines zelden neutraal geweest. Schepen of vliegtuigen zijn onzijdig en kregen vaak vrouwelijke namen. Het schip en het vliegtuig; alles wat beweegt, beschermt of vervoert lijkt gevoelig voor verpersoonlijking. In dat opzicht past de DS naadloos in een oudere traditie van technische romantiek, waarin het gebruiksvoorwerp langzaam verandert in iets met een ziel.

Interessanter wordt het wanneer je die romantiek beziet via cultuurfilosoof Roland Barthes (1915 – 1980), die de Citroën DS al beschreef in zijn Mythologies (1957). Voor Barthes was de DS een mythe. Een alledaags consumptieproduct dat verheven werd tot tot een magisch, goddelijk object. De auto symboliseerde een overgang van traditionele techniek naar futuristische magie en representeerde de triomf van de moderne, naoorlogse vooruitgang. Voor Barthes was daarom de DS geen auto, maar een mythe: een object waarin moderniteit, elegantie en technische verhevenheid samenkwamen. En mythen, zo zou hij zeggen, gedragen zich nooit strikt volgens grammaticale regels. Ze creëren hun eigen taal, hun eigen logica.

Vanuit dat perspectief is het misschien niet verrassend dat de DS in liefhebberskringen grammaticaal is gaan schuiven. Wie een mythe rijdt, spreekt hem niet langer aan als ding. Hij wordt iets anders. Iets dat niet meer in de standaardtaal past. Al vraag ik mij af of de gemiddelde DS-bezitter zich hiervan bewust is en de DS gewoon als een vrouw ziet.

De wrijving blijft bestaan. Want hoe sterker de mythe, hoe verder de taal soms afdrijft van de werkelijkheid. De DS is dan wel een godin in de verbeelding, maar in de werkplaats blijft hij vooral een stuk techniek dat onderhoud behoeft. De mythe mag haar eigen taal hebben, de liefhebber zijn eigen poëzie. Maar de Nederlandse grammatica blijft ongevoelig voor deze verering: de Citroën DS is en blijft een hij. Dat staat in het Groene Boekje van de Nederlandse DS-taal.

Rob Hoen

Citroën DS
zelfstandig naamwoord M (de; merk/model)

Uitspraak (IPA): /si.tʁoˈɛn deːˈɛs/ (Frans)
Nederlandse benadering: /si.troˈɛn deːˈɛs/

Bienvenue